
ZOETERWOUDE - Kees van Steenwijk (61) kwam voor het eerst met schaken in aanraking toen hij een boekje van grootmeester Hans Bouwmeester in handen kreeg. 'Nummer 575 van de Prisma-serie,' zegt hij monter, 'dat herinner ik me nog wel.' De Zoeterwoudenaar raakte verslingerd aan het koningsspel maar hield die kennis niet voor zich alleen. Veertig jaar lang maakte hij kinderen wegwijs in de wondere wereld van het schaken. John van der Wiel, één van Neerlands topschakers, behoorde tot zijn leerlingen.
De stelling dat schaken vooral is voor weirdo's die exacte vakken als wiskunde en natuurkunde in hun pakket hebben, wordt door sommige schaakverenigingen te vuur en te zwaard bestreden. Volstrekt onwaar, wordt er al snel geroepen. Een schaker kan net zo goed verzot zijn op taal, geschiedenis of andere niet-exacte vakken. Feit is echter dat vele grote schakers een voorliefde hebben voor wiskunde. Neem bijvoorbeeld bekende Nederlandse grootmeesters als Max Euwe en Hans Bouwmeester. En wat te zeggen van Van Steenwijk zelf, bij wie zich ook een wiskundeknobbel openbaarde. Op de lagere school mocht hij een klas overslaan, en hij volgde later aan het Visser 't Hooft Lyceum het gymnasium, natuurlijk met bèta-vakken in het pakket. Zijn ouders konden een vervolgstudie niet bekostigen en de plannen voor een academische studie gingen in rook op.
Van Steenwijk zat niet bij de pakken neer, werd freelancer en schreef tot 1980 schaakartikelen voor veel kranten in de Leidse regio. Daarna volgde een periode van nietsdoen, zoals Van Steenwijk het noemt, tot hij in het begin van de jaren negentig in gesprek kwam met Erik Michels van de sociale zaken van de gemeente Zoeterwoude. 'Op dat moment gaf ik al schaakles op een paar scholen en bij plaatselijke verenigingen, voor een onkostenvergoeding die te weinig was om van te leven.' In het kader van een sociale voorziening bood Michels hem een baan aan op het gemeentehuis, bij post- en archiefzaken. 'Daar heb ik ook diploma's voor gehaald. Ik heb het er goed naar mijn zin. Nu werk ik er met een volledig dienstverband.' Tijdgebrek is de reden dat Van Steenwijk nog slechts op beperkte schaal schaakles geeft. Wat jammer is, want dat zit de sinds het midden van de jaren'70 in Zoeterwoude wonende Van Steenwijk in het bloed. Kinderen in de wijde omgeving profiteerden bijna veertig jaar van zijn wijze lessen. Voor de jonge Kees van Steenwijk zelf lag de bakermat van het schaakspel op de Oostdwarsgracht in Leiden, niet ver uit de buurt waar zijn vader een baan had bij de Stedelijke Lichtfabrieken (SLF). Daar speelde hij menig partijtje met zijn opa, en leerde er veel van. Na het eerste boekje van Bouwmeester volgden er meer, en Van Steenwijk werd een geducht schaker. 'Ik speelde wat partijtjes op school, en versloeg de schoolkampioen. Zo kwam ik in het team, waarmee we tweede van Nederland werden. Een school uit Nijmegen werd eerste.'
Dreinen
In de jaren zestig meldde de jongeling zich aan bij de Leidse schaakvereniging Philidor en klom langzaam op in de hiërarchie. Hij bereikte een elorating (een indicatie-cijfer waarmee de sterkte van een schaker wordt uitgedrukt) van 2110. Ter vergelijking: Kasparov heeft een rating van boven de 2800. Een schaakmeester zit op plusminus 2400, een grootmeester op ongeveer 2600. De gemiddelde Nederlandse clubspeler heeft een elorating van 1700, boven de 2000 wordt je beschouwd als een sterke speler. 'In de Landelijke hoofdklasse speelde ik tegen Hans Böhm. Ik verloor, want ik kreeg mijn eigen opening tegen: de Trompovski. Dan speel je dd4, Pf6, Lg5. Als je dan met zwart speelt, wordt het heel lastig. De Engelsen hebben met die opening op toernooien veel successen behaald.' Bij Philidor speelde hij veelal voor het tweede of het derde team, had pech dat bij Philidor absolute kanonnen speelden als Joop Piket en John van der Wiel. 'Van der Wiel heb ik nog opgeleid, hij kreeg zijn meestertitel toen hij al Europees kampioen werd. Ik heb hem begeleid vanaf toen hij een jaar of 8 was, tot hij 14 werd. Van der Wiel wordt de slager genoemd, omdat hij iemand helemaal tactisch kan offeren. Dan offer je materiaal voor een mataanval of een gewonnen eindspel.'
Om gedegen les te kunnen geven behaalde Van Steenwijk diverse diploma's als schaakinstructeur en wedstrijdleider van de KNSB. 'Het is leuk om kinderen iets te leren. Ze kunnen zo enthousiast zijn! Dat probeer ik in ze aan te wakkeren, zodat zij hun opa of vader kunnen verslaan, daarna in een schoolteam gaan spelen of lid worden van een schaakvereniging om zich verder te ontwikkelen.' Schaken alleen is overigens niet zaligmakend, zegt Van Steenwijk. 'Timman zei, dat als hij vier uur achtereen moest spelen, hij daar een goede conditie voor nodig had. Ik hield mijn conditie op peil door veel te fietsen.' Na zijn pensionering wil Van Steenwijk weer volop schaakles gaan geven. 'Ik wil de vijftig jaar als een schaakleraar vol maken. Waarom schaken zo goed is? Je leert systematisch problemen op te lossen. Die kom je ook in het leven overal tegen. Je leert risico's nemen. En tegen je verlies kunnen. Je moet niet moet dreinen als je een keer verliest.'
De stelling dat schaken vooral is voor weirdo's die exacte vakken als wiskunde en natuurkunde in hun pakket hebben, wordt door sommige schaakverenigingen te vuur en te zwaard bestreden. Volstrekt onwaar, wordt er al snel geroepen. Een schaker kan net zo goed verzot zijn op taal, geschiedenis of andere niet-exacte vakken. Feit is echter dat vele grote schakers een voorliefde hebben voor wiskunde. Neem bijvoorbeeld bekende Nederlandse grootmeesters als Max Euwe en Hans Bouwmeester. En wat te zeggen van Van Steenwijk zelf, bij wie zich ook een wiskundeknobbel openbaarde. Op de lagere school mocht hij een klas overslaan, en hij volgde later aan het Visser 't Hooft Lyceum het gymnasium, natuurlijk met bèta-vakken in het pakket. Zijn ouders konden een vervolgstudie niet bekostigen en de plannen voor een academische studie gingen in rook op.
Van Steenwijk zat niet bij de pakken neer, werd freelancer en schreef tot 1980 schaakartikelen voor veel kranten in de Leidse regio. Daarna volgde een periode van nietsdoen, zoals Van Steenwijk het noemt, tot hij in het begin van de jaren negentig in gesprek kwam met Erik Michels van de sociale zaken van de gemeente Zoeterwoude. 'Op dat moment gaf ik al schaakles op een paar scholen en bij plaatselijke verenigingen, voor een onkostenvergoeding die te weinig was om van te leven.' In het kader van een sociale voorziening bood Michels hem een baan aan op het gemeentehuis, bij post- en archiefzaken. 'Daar heb ik ook diploma's voor gehaald. Ik heb het er goed naar mijn zin. Nu werk ik er met een volledig dienstverband.' Tijdgebrek is de reden dat Van Steenwijk nog slechts op beperkte schaal schaakles geeft. Wat jammer is, want dat zit de sinds het midden van de jaren'70 in Zoeterwoude wonende Van Steenwijk in het bloed. Kinderen in de wijde omgeving profiteerden bijna veertig jaar van zijn wijze lessen. Voor de jonge Kees van Steenwijk zelf lag de bakermat van het schaakspel op de Oostdwarsgracht in Leiden, niet ver uit de buurt waar zijn vader een baan had bij de Stedelijke Lichtfabrieken (SLF). Daar speelde hij menig partijtje met zijn opa, en leerde er veel van. Na het eerste boekje van Bouwmeester volgden er meer, en Van Steenwijk werd een geducht schaker. 'Ik speelde wat partijtjes op school, en versloeg de schoolkampioen. Zo kwam ik in het team, waarmee we tweede van Nederland werden. Een school uit Nijmegen werd eerste.'
Dreinen
In de jaren zestig meldde de jongeling zich aan bij de Leidse schaakvereniging Philidor en klom langzaam op in de hiërarchie. Hij bereikte een elorating (een indicatie-cijfer waarmee de sterkte van een schaker wordt uitgedrukt) van 2110. Ter vergelijking: Kasparov heeft een rating van boven de 2800. Een schaakmeester zit op plusminus 2400, een grootmeester op ongeveer 2600. De gemiddelde Nederlandse clubspeler heeft een elorating van 1700, boven de 2000 wordt je beschouwd als een sterke speler. 'In de Landelijke hoofdklasse speelde ik tegen Hans Böhm. Ik verloor, want ik kreeg mijn eigen opening tegen: de Trompovski. Dan speel je dd4, Pf6, Lg5. Als je dan met zwart speelt, wordt het heel lastig. De Engelsen hebben met die opening op toernooien veel successen behaald.' Bij Philidor speelde hij veelal voor het tweede of het derde team, had pech dat bij Philidor absolute kanonnen speelden als Joop Piket en John van der Wiel. 'Van der Wiel heb ik nog opgeleid, hij kreeg zijn meestertitel toen hij al Europees kampioen werd. Ik heb hem begeleid vanaf toen hij een jaar of 8 was, tot hij 14 werd. Van der Wiel wordt de slager genoemd, omdat hij iemand helemaal tactisch kan offeren. Dan offer je materiaal voor een mataanval of een gewonnen eindspel.'
Om gedegen les te kunnen geven behaalde Van Steenwijk diverse diploma's als schaakinstructeur en wedstrijdleider van de KNSB. 'Het is leuk om kinderen iets te leren. Ze kunnen zo enthousiast zijn! Dat probeer ik in ze aan te wakkeren, zodat zij hun opa of vader kunnen verslaan, daarna in een schoolteam gaan spelen of lid worden van een schaakvereniging om zich verder te ontwikkelen.' Schaken alleen is overigens niet zaligmakend, zegt Van Steenwijk. 'Timman zei, dat als hij vier uur achtereen moest spelen, hij daar een goede conditie voor nodig had. Ik hield mijn conditie op peil door veel te fietsen.' Na zijn pensionering wil Van Steenwijk weer volop schaakles gaan geven. 'Ik wil de vijftig jaar als een schaakleraar vol maken. Waarom schaken zo goed is? Je leert systematisch problemen op te lossen. Die kom je ook in het leven overal tegen. Je leert risico's nemen. En tegen je verlies kunnen. Je moet niet moet dreinen als je een keer verliest.'